diagnose
De klinische diagnose is op de kinderleeftijd vaak moeilijk. Een genetische (DNA) diagnose is in Nederland in 95% van de gevallen mogelijk.
De klinische diagnose kan door de arts worden gesteld wanneer drie van de vier zogenaamde "‘Curaçao-criteria" aanwezig zijn. Deze zijn:
- een 1e graads familielid met ROW, dat wil zeggen ouder, kind;
- spontane bloedneuzen;
- typische teleangiëctasieën op de typische plaatsen. Voor het herkennen hiervan is ervaring nodig en soms een microscoop voor onderzoek van de neus of nagelriem.
- vaatafwijkingen in andere organen: zoals longen, hersenen, lever. Hiervoor is röntgen- of geluidsonderzoek nodig.
Wanneer slechts één of twee criteria aanwezig zijn, blijft het onzeker of de ziekte wel of niet aanwezig is. Dit komt vooral voor bij kinderen, omdat de vaatafwijkingen zich pas later ontwikkelen en bij mutaties van het gen voor ALK-1 op chromosoom 12 (ROW-2), omdat deze vorm een milder beloop heeft met weinig afwijkingen in de longen en hersenen. Bij een onzekere diagnose is herhaling van het onderzoek na enkele jaren nodig, tenzij DNA-onderzoek heeft laten zien dat de familie-mutatie ontbreekt.
Het DNA-onderzoek in Nederland is vergevorderd, want de familie mutatie is bekend in 95 % van de families. Bij DNA-onderzoek wordt in het bloed gezocht naar deze familie-mutatie. Bij ontbreken van de mutatie is de ziekte afwezig. Als de mutatie wel aanwezig is, heeft het familielid ROW, ook al zijn er nog geen verschijnselen, bijvoorbeeld bij een baby.
|